20 oktober 2018

Orgel- en klavecimbelconcert – Bachprogramma door Ad Verhage

3 november 2018

Utrecht Conservatory Strings o.l.v. Mikhail Zemtsov

15 december 2018

Roden Girl Choristers – Kerstconcert

26 januari 2019

Zangers HKU (solisten, duetten en meer)

23 februari 2019

Sietze de Vries – Improvisatieconcert

23 maart 2019

Erik van der Heijden, Dick Troost, Ad Verhage – Verschillende toetsinstrumenten

13 april 2019

Veenendaals Kamerkoor o.l.v. Herman Mussche

18 mei 2019

Annemieke IJzerman, harp, Erik van der Heijden, orgel

29 juni 2019

Gerben Budding, orgel, en Veenendaals Projectorkest o.l.v. Ad Verhage

20 oktober 2018   –   16.00 uur, Westerkerk, Goudvink 2, Veenendaal

Orgel- en Klavecimbelconcert door Ad Verhage

Werken van J.S. Bach

Programma 20 oktober 2018

1.Uit de ‘Leipziger Choräle’
• Komm Gott Schöpfer, Heilger Geist, BWV 667
• Allein Gott in der Höh sei Ehr, BWV 663
orgel
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
2.Uit ‘das wohltemperierte Klavier’
• Prelude en fuga in C-dur, BWV 846
klavecimbel
3.Triosonate nr. VI in G-dur, BWV 530
• Allegro
• Largo
• Vivace
orgel
4.Franse Suite nr. V BWV 816
• Allemande
• Courante
• Sarabande
• Gavotte
• Bourree
• Loure
• Gigue
klavecimbel
5.Preludium en fuga e-moll BWV 548
orgel

Ad Verhage (1957) begon zijn orgelstudie op 10-jarige leeftijd aan de Zeeuwse Muziekschool bij Stoffel Gunst. Vanaf 1976 studeerde hij aan het Koninklijk Conservatorium te den Haag  schoolmuziek (diploma in 1981). Daarnaast studeerde hij orgel bij Riek Jiskoot, Wim van Beek en Johann Th. Lemckert en protestante kerkmuziek bij Barend Schuurman en Theo Goedhart. In 1983 behaalde hij het diploma uitvoerend musicus orgel en in 1984 het diploma protestante kerkmuziek. Hij was verbonden aan diverse kerkelijke gemeenten als organist en cantor. Momenteel is hij docent muziek aan de Christelijke Hogeschool Ede, cantororganist van de Andrieskerk te Amerongen en organist van de Westerkerk te Veenendaal. Hij geeft regelmatig orgelconcerten en maakte hij zijn eerste solo-cd op het nieuwe Skrabl-orgel in de Westerkerk.

De 18 Leipziger koralen (BWV 651-668) of Choräle von verschiedener Art (vrij vertaald: diverse soorten koralen) is de naam die is gegeven aan een manuscript van Johann Sebastian Bach met een verzameling van achttien koralen, waarschijnlijk bestemd om te worden gepubliceerd. In 1727 liet Bach dit collectiehandschrift met orgelmuziek jet licht zien. Dit manuscript bevindt zich in de Staatsbibliotheek in Berlijn en is door Bach voor het grootste deel zelf uitgewerkt. Bachs leerling Johann Christoph Altnickol, en latere schoonzoon, was verantwoordelijk voor de schoonschriftversies van BWV 666 en 667. Het manuscript omvat – naast de Leipziger koralen –  ook in schoonschrift, de zes orgelsonates (BWV 525-530) en een late versie van de vijf canonische ‘veranderingen’ van het kerstlied ‘Vom Himmel hoch da komm ich her’ (BWV 769a). De Leipziger koralen zijn, na ´das Wohltemperierte Klavier´, de meest gevarieerde verzameling van stukken die Bach schreef. De diversiteit – vernieuwende werken naast tamelijk conservatieve – is mogelijk ook uitgangspunt geweest van de collectie. De Leipziger koralen hebben vanaf het begin een belangrijke en invloedrijke rol gehad op zowel uitvoerende musici als op componisten. Om te beginnen gebruikte Bach de koralen zelf in het onderricht van zijn leerlingen. Van die leerlingen maakten o.a. Krebs, Gerber, Agricola, en Kittel kopieën van de werken. Na Bachs dood bleven de koralen circuleren in Leipzig. Dertien ervan zaten in de verzameling van manuscripten die de Leipziger muziekuitgeverij Breitkopf, voor kopieer- en verkoopdoeleinden, in bezit had. Kirnberger, componist en vooral ook muziektheoreticus, was verantwoordelijk voor de verspreiding van de koralen in en rond Berlijn. Na zijn benoeming aan het hof van Prinses Anna Amalia van Pruisen bezorgde hij een grote publicatie uit de Bachmanuscripten.

Das wohltemperierte Klavier (de welgetemperde (= goed gestemde) piano; dikwijls afgekort als WTK) is een van de hoofdwerken van Bach geschreven voor klavecimbel, een in zijn tijd nogal veelgebruikt toetsinstrument. Het goedgestemde slaat op de in die tijd revolutionaire welgetemperde stemming van het instrument, een stemming waardoor het mogelijk was om in alle toonsoorten (redelijk) zuiver te spelen. In tegenstelling tot wat velen denken is dit nog niet hetzelfde als de tegenwoordig gangbare gelijkzwevende stemming. Het werk bestaat uit twee cycli, in twee banden, met in ieder boek voor iedere majeur- en mineurtoonsoort een prelude gevolgd door een fuga; in ieder boek zijn er derhalve 24 preludes en fuga’s. Veel componisten volgden Bach en componeerden ook een cyclus van 24 preludes en fuga’s. Zo liet Dmitri Sjostakovitsj zich beïnvloeden door Das Wohltemperierte Klavier toen hij zijn 24 preludes en fuga’s opus 87 schreef. Hij rangschikte ze echter niet zoals Bach maar zoals Frédéric Chopin dat met zijn 24 preludes opus 28 had gedaan. Chopin overigens liet zijn preludes niet volgen door een fuga en ook Sjostakovitsj heeft een serie van 24 preludes zonder fuga’s gecomponeerd (zijn opus 34).

Triosonate nr. VI in G/dur. Het woord “triosonate” betekent hier dat de twee handen en het pedaal onafhankelijk en puur eenstemmmig worden uitgevoerd, wat technisch gezien een flinke opgave is. Bach heeft geen titel gebruikt voor de serie van 6 sonates; de individuele sonates zijn elk beschreven met “Sonata à 2 Clav. e Pedal di JS Bach “. De triosonates werden geschreven tussen 1727 en 1732; volgens de Bach-biograaf Johann Nikolaus Forkel heeft Bach ze geschreven als lesmateriaal voor zijn oudste zoon Wilhelm Friedemann Bach. Maar aangezien één deel van de vierde sonate ook wordt bewaard als een instrumentaal trio, is wel gesuggereerd dat verschillende werken mogelijk in kamermuziek zijn geschreven. Omdat in alle andere gevallen echter geen alternatieve bronnen voorhanden zijn, kan deze these niet bewezen of weerlegd worden. In hun contrapuntische verwerking, frequente fugatische opzet en door het ontbreken van duidelijk dansgeoriënteerde titels, volgen de zes sonates de traditie van de Sonata da Chiesa, kerksonate. Ze hebben echter niet vier, maar slechts drie delen. Ook andere stilistische details illustreren de invloed van de Italiaanse concertvorm, bijvoorbeeld het uitgesproken ritornello van de Sonate nr. 6.

Franse suites (BWV 812-817) is de titel waaronder een zestal suites voor klavecimbel van Bach bekend is. Bach noemde de werken zelf Suites pour le Clavessin  (Suites voor het klavecimbel). De suites zijn geschreven in Bachs tijd in Köthen (1717-1723). De suites, zonder prelude, volgen de traditionele suitevorm: allemande – courante – sarabande – gigue, met toevoeging van alternatieve delen tussen sarabande en gigue. Bachs belangstelling voor de suite gaat terug tot zijn begintijd als componist; dit overeenkomstig de mode waarbij rond 1700 de invloed merkbaar was van de Franse clavecinistes (de Franse componisten die voornamelijk voor het klavecimbel schreven en de klaviersuitevorm tot een hoogtepunt brachten: zoals Jacques Champion de Chambonnières, Jean Henri d’Anglebert, Louis Couperin, diens neef François Couperin en Jean Philippe Rameau). Bachs broer Johann Christoph uit Ohrdruf had een verzameling suites aangelegd – voor zover zijn broer Johann Sebastian daarvoor al niet zelf het materiaal had aangeleverd – met op de Franse vorm gebaseerde suites van Duitse componisten (o.a. Johann Adam Reincken, Georg Böhm, Johann Kuhnau), maar ook van Franse componisten (Nicolas-Antoine Lebègue, Louis Marchand). Bach leerde de suite als muziekvorm kennen bij zijn mentor Georg Böhm in Lüneburg. Waarom de suites als ‘Frans’ worden aangeduid en een andere verzameling suites als Engels is onduidelijk (naar analogie hiervan spreekt men bij de Partita’s BWV 825 – 830 zelfs van ‘Duitse suites’). De eerste keer dat de titel ‘Franse suites’ vermeld wordt, is in een muziektraktaat uit 1762  van Friedrich Wilhelm Marpurg. Andere verklaringen die zijn geopperd: alle delen van Bachs Franse suites zijn bij voorkeur met elegant te kenschetsen (wat dan impliceert dat de Engelse suites dit niet zijn). Klavecimbelsuites van Franse meesters beginnen echter veelal met een prelude. De Franse aanduiding ‘suite’ betekent immers ‘gevolgd’ (door verschillende dansvormen). In de loop van de late 17de eeuw zou de aanduiding suite verzelfstandigd worden en zelfs een eigennaamsbetekenis krijgen. Bachs Franse suites missen de facto inleidende preludes – de Engelse suites evenals de Partita’s (waar inleidende delen zelfs andere titels en compositievormen betreffen) hebben die wel en zouden daarmee meer Frans zijn. De dansdelen in de Engelse suites staan bovendien dichter bij Couperin. Argumenten voor de benaming Franse suite betreffen ook de lengte: hier is overeenkomst met de kortere suitedelen van François Couperin, met 8, 10 of 16 maten met herhalingen – een herhaling van dezelfde lengte. Ten tweede is er in Bachs Franse suites weinig imiterend contrapunt – en meer van de style galant – en nauwelijks of niets van de Italiaanse concertostijl die bijvoorbeeld terug te vinden is de preludes van de Engelse suites. Maar eigenlijk zijn de ‘Franse’ suites niet Franser dan alle andere werken van Bach in dit genre.

De Prelude en fuga in e klein, BWV 548 is behalve een van de langste ook een van de meest gecompliceerde orgelwerken van Bach. Het dateert uit zijn Leipziger periode en staat bijzonder hoog genoteerd bij zowel liefhebbers als kenners van zijn orgelmuziek. Maarten ’t Hart omschrijft de prelude als voorbode van de klacht van de gewonde Amfortas in Wagners Parsifal en vindt de fuga ‘verbijsterend’, terwijl de negentiende-eeuwse Bachvorser Spitta zelfs spreekt over ‘een tweedelige symfonie’. De zwaarmoedige prelude zwoegt inderdaad getormenteerd voorwaarts, terwijl de vierstemmige fuga met zijn solistische passages, toonladderfragmenten en last but not least da capo-structuur je gewoonweg perplex achterlaat. Je kunt je afvragen of zo’n uitgelezen werk niet voor een speciale gelegenheid is gecomponeerd. Helaas in niets bekend over orgelbespelingen van Bach in Leipzig. Wel over uitgebreide orgelrecitals in andere steden, waarin hij zich graag als virtuoos presenteerde. Maar een superieur werk vereist ook een superieur orgel. Bachbiograaf Christoph Wolff opperde daarom het orgel van de Paulinerkirche als kandidaat. Dit instrument van Scheibe, door Bach zelf in 1717 gekeurd, was met zijn 53 registers, drie manualen en pedaal een van de grootste en mooiste orgels van Duitsland. Omdat de Paulinerkirche bovendien fungeerde als universiteitskerk, zal daar een publiek hebben gezeten aan wie deze compositie ook echt besteed was. Om met Wolff te spreken: ‘In dit universitair auditorium, deze zetel der wetenschap, hield men zijn adem in voor de absolute autoriteit op muziekgebied in Leipzig.

3 november 2018   –   16.00 uur, Westerkerk, Goudvink 2, Veenendaal

Utrecht Conservatory Strings o.l.v. Mikhail Zemtsov

Werken van Ralph Vaughan en Benjamin Britten

Programma 3 november

1.Fantasia on a theme by Thomas TallisRalph Vaughan Williams (1872 – 1958)
2.Lachrymae voor altviool en orkestBenjamin Britten (1913 - 1976)
3.Variations on a theme of Frank Bridge
• Introductie en thema
• Variatie 1: Adagio
• Variatie 2: March
• Variatie 3: Romance
• Variatie 4: Aria Italiana
• Variatie 5: Bourrée classique
• Variatie 6: Wiener Waltzer
• Variatie 7: Moto perpetuo
• Variatie 8: Funeral March
• Variatie 9: Chant
• Variatie 10: Fugue and Finale
Benjamin Britten

Mikhail Zemtsov werd in 1969 geboren te Rusland en ontving zijn eerste vioollessen op 5-jarige leeftijd van zijn moeder. Daarna studeerde hij aan het Tsjaikovski Conservatorium te Moskou bij Galina Odinets en aan het Maastrichts Conservatorium bij Mikhail Kugel (Soloist Master Degree “cum laude”). Hij ontving het “Diplome with Distinction” aan het Associated Board of Royal Schools of Music (GB) en het “Solist Diplom mit Auszeichnung” aan Hochschule für Musik, Hamburg, Duitsland. Hij is winnaar van verschillende concoursen:  1st International Viola Competition (1998, Wenen) en Elisa Mayer String Competition (1998, Hamburg). Als solist trad hij onder andere op met het Moskou Conservatorium Kamerorkest, het Lima Philharmonisch, New World Chamber Orchestra, Nationaal Symphonie Orkest van Mexico, Luxembourg Philharmonisch (R.Strauss “Don Quixote” met Misha Maisky als cellist), Wiener Volksoper, Hamburger Symphoniker, Stavanger Symphonie Orkest en Het Residentie Orkest in Rusland, Duitsland, Belgie, Holland, Oostenrijk, Zwitserland, Luxemburg,Zweden, Noorwegen, Canada, Mexico en Peru en nam 6 CDs met kamermuziek op (Sony Masterworks, Tower records, Deutsche Welle Koeln).  Zijn solo cd “The last Rose of Summer” is op de 2e plaats van de top 50 van de Tros geëindigd en heeft als cijfer 9 gehaald bij het tijdschrift Luister. Zemtsov is veelvuldig te horen op de Internationale Festivals zoals Zacatecas en Cervantino International Festivals ( Mexico), Bastad Festival (Zweden), Rosendal Festival (Noorwegen), Lübecker Kammermusikfest (Duitsland) ,Tuscan Sun (Italie) en het Amsterdamse Grachtenfestival. Hij speelt kamermuziek met onder andere Bella Davidovitch, Dmitri Sitkovetski, Sara Chang, Alexander Markovitch , Janine Jansen, Julian Rachlin en Boris Berezovsky. In 2004 heeft hij samen met de gitarist Enno Voorhorst Duo Macondo opgericht. Sinds 2002 is hij aanvoerder altviolist in Het Residentie Orkest. Mikhail is docent altviool aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en aan het Utrechts Conservatorium. Hij is chef-dirigent van de ‘Utrecht Conservatory Strings’ en het ‘Concerto Grosso Youth Orchestra’ in Rotterdam.

Ralph Vaughan Williams  (Down Ampney, Gloucestershire, 12 oktober 1872 – Londen, 26 augustus1958) was een Brits componist en dirigent. Vaughan Williams wordt voornamelijk herinnerd als een sleutelfiguur in het Engels muzikaal nationalisme, hoewel die positie in twijfel getrokken wordt. Binnen de Engelse traditie wordt hij gezien als opvolger van zijn leraren en componisten Charles Hubert Parry en Charles Villiers Stanford en componisten van een generatie tevoren Edward Elgar en Frederick Delius, maar anderen plaatsen hem eveneens in een kosmopolitische traditie samen met Claude Debussy en Maurice Ravel. Ravel was in 1907-1908 een van Vaughan Williams’ leraren tijdens een aanzienlijk verblijf in Parijs. In het algemeen wordt Vaughan Williams beschouwd als een van Engelands belangrijkste componisten.

Fantasia on a Theme by Thomas Tallis, ook bekend als Tallis Fantasia, werd geschreven in 1910 door Ralph Vaughan Williams en voor de eerste maal uitgevoerd op 6 september 1910 in Gloucester Cathedral in Gloucester (tijdens het Three Choirs’ Festival) door het London Symphony Orchestra onder leiding van de componist zelf. De Londense première was op 11 februari 1913 in de Queen’s Hall door het New Symphony Orchestra onder leiding van de componist. De muziek werd herzien in 1913 en 1919. De fantasie voor dubbel strijkorkest, waarbij uit beide strijksecties een solostrijkkwartet werd samengesteld, zodat er een drieledig effect ontstond, is gebaseerd op een van negen thema’s van Thomas Tallis (1505-1585), die zouden worden gepubliceerd in de Psalter van aartsbisschop Parker in 1567. De publicatie werd in eerste instantie verboden. Ralph Vaughan Williams schreef zijn Tallis Fantasia rondom het phrygische thema ‘Why fumeth in fight?’. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat Tallis’ thema tweemaal herhaald zou worden aan het eind van de fantasie, maar de componist zag hier uiteindelijk vanaf. Zodoende is Tallis’ thema eenmaal te horen aan het einde. Vaughan Williams schreef de fantasie, met zijn aparte bezetting, speciaal voor de Normandische, stenen architectuur van Gloucester Cathedral. De resonans van drie strijksecties kon daar goed tot zijn recht komen. De Tallis Fantasia is een van Vaughan Williams’ bekendste werken en wordt nog steeds veelvuldig gebruikt op televisie en in film.

Benjamin Britten werd geboren in 1913. Hij volgde lessen aan Gresham’s School te Holt, Norfolk. Als kind componeerde hij ongeveer 800 werkjes. Hij had pianolessen bij Harold Samuel en compositieles bij Frank Bridge (Samuel en Bridge waren bevriend). Dankzij een beurs kon hij studeren aan het Royal College of Music in Londen bij John Ireland en Arthur Benjamin. Hij begon daar onder meer aan zijn Rondo concertante voor piano en strijkorkest, dat hij echter nooit voltooide. Nadat hij al enige filmmuziek had geschreven voor documentaires, kwam zijn doorbraak door de uitvoering van Variations on a theme of Frank Bridge, dat zijn première kreeg op de Salzburger Festspiele in 1937. Door de daaropvolgende composities, met name Sinfonia da Requiem (1940) en Serenade (1943), werd hem de leidende rol in de Britse klassieke muziek toegedicht. Van 1939 tot 1942 woonde Britten in de Verenigde Staten. Een aldaar gestart klarinetconcert heeft hij nooit voltooid. In 1945 volgde de première van zijn tweede opera Peter Grimes, die leidde tot de erkenning van zijn dramatische kwaliteiten. In 1947 formeerde Britten de English Opera Group, die opera’s in première bracht van hemzelf en andere – vooral Britse – componisten als Lennox Berkeley, Malcolm Williamson, William Walton, Harrison Birtwistle en Thea Musgrave. Tot de groep behoorden vooraanstaande zangers, onder wie Kathleen Ferrier, Heather Harper, Peter Pears, Janet Baker en John Shirley-Quirk. Britten richtte in 1948 het Aldeburgh Festival op. Op dat eerste festival voerde hij Frank Bridge’s There is a willow grows aslant a brook uit in een eigen bewerking. In 1958 begon hij aan zijn nooit voltooide hommage aan Dennis Brain: In Memoriam Dennis Brain. Hij had diverse ontmoetingen met Dmitri Sjostakovitsj en Mstislav Rostropovitsj. Voor diens echtgenote Galina Visjnevskaja schreef hij de sopraanpartij in het War Requiem (1962). Andere bekende werken zijn: Les Illuminations (1939), The Young Person’s Guide to the Orchestra (1946), A Midsummer Night’s Dream (1960) bij het toneelstuk van William Shakespeare en de opera Death in Venice (1973). Britten was overtuigd pacifist en weigerde dienst tijdens de Tweede Wereldoorlog op grond van gewetensbezwaren. Hij verwierf de Order of Merit, de Order of the Companions of Honour en in 1976 de adellijke titel Baron van Aldeburgh.

Britten kwam als 12-jarig jongetje is aanraking met de muziek van Frank Bridge, maar ging (pas) bij hem studeren in 1927. In 1932 dacht Britten erover na een Thema en variaties te componeren op basis van een thema dat Bridge had gebruikt in zijn Drie idyllen voor strijkkwartet uit 1906. Maar zoals zo vaak strandde deze compositie in de hoeveelheid composities die Britten startte (en nooit afmaakte). De toenmalige versie van een set variaties voor piano, dat ook titelloos bleef. Die toen gelegde basis kwam Britten te pas toen Boyd Neel hem vroeg een werk te schrijven voor diens optreden op de Salzburger Festspiele. Van 5 juni tot 12 juli 1937 werkte Britten eraan en op 25 augustus 1937 stond het op de lessenaars van de musici. Britten had toen al meer dan 800 aanzetten tot een compositie verricht. Britten maakt door middel van deze Thema en variaties een muzikaal portret van componist, vriend en (mede-)pacifist Bridge. Het thema uit de Drie idyllen wordt op diverse wijzen bewerkt en het gehele werk ademt ook de sfeer in van Bridge. Dat is niet verbazingwekkend; Britten was een leerling van Bridge, maar samen hadden ze ook een gemeenschappelijk muziekinstrument als uitvoerend musicus; de altviool. Beide kenden dus alle mogelijkheden (en onmogelijkheden) van de strijkinstrumenten; beide schreven dan ook graag voor strijkorkesten en -ensembles. In de finale (maar ook in de voorafgaande “Chant” zijn ook citaten van andere werken van Bridge te horen. Enter spring, De zee-suite, Pianotrio nr. 2, Zomer en wellicht Brigdes bekendste lied There Is a Willow Grows Aslant a Brook komen voorbij. Trouwens voor liefhebbers van de Vijfde symfonie van Dmitri Sjostakovitsj zit er ook een herkenningspunt in de finale. Het begin van Symfonie nr. 5 is letterlijk terug te vinden. Sjostakovitsj en Britten waren vrienden “op afstand”. Die vijfde werd geschreven tussen april en juli 1937, wellicht had Britten een pianoversie gehoord of anderszins. Het werk bevat de volgende delen, waarin Britten Bridge muzikaal karakteriseert:

·       Introductie en thema

·       Variatie 1: Adagio (weergave Bridges integriteit)

·       Variatie 2: March (weergave Bridges energie)

·       Variatie 3: Romance (weergave Bridges charme)

·       Variatie 4: Aria Italiana (weergave Bridges humor)

·       Variatie 5: Bourrée classique (weergave Bridges gevoel voor traditie)

·       Variatie 6: Wiener Waltzer (weergave Bridges enthousiasme)

·       Variatie 7: Moto perpetuo (weergave Bridges vitaliteit)

·       Variatie 8: Funeral March ((weergave Bridges sympathie)

·       Variatie 9: Chant (weergave Bridges eerbied)

·       Variatie 10: Fugue and Finale (weergave Bridges vaardigheid van componeren)

De karaktertrekjes stonden wel op het originele manuscript, maar verdwenen bij de druk. Het geheel ademt de sfeer in van vervlogen tijden. Britten was zelf onder de invloed van Gioacchino Rossini (opus 9 is Soirées musicales) en Bridge van Maurice Ravel en Igor Stravinsky, deze componisten zijn qua sfeer dan ook terug te vinden in dit werk. De eerste uitvoering van het werk was te horen op Radio Hilversum op 25 augustus 1937, twee dagen voor de eerste publieke uitvoering tijdens genoemd festival. De Britse première kwam op 5 oktober dat jaar. Het beleefde weer een jaar later (7 september 1938) haar Proms-première met Britten zelf als dirigent voor het BBC Symphony Orchestra, het zou tot 2012 nog 6 keer terugkomen. Het werk vormde de doorbraak van Britten en werd snel opgepakt door andere componisten om er een arrangement van te maken. Colin McPhee (vriend van Britten) maakte een balletversie voor Lew Christensens ballet Jinx in 1942. Arthur Oldham (leerling van Britten) maakte een versie voor symfonieorkest in 1949, dat gebruikt werd in Frederick Ashtons ballet La rêve de Léonor. Ook Twyla Tharp gebruikte het voor een ballet. Hoeveel versies er ook verschenen het origineel is nog steeds populair.

15 december 2018   –   16.00 uur, Westerkerk, Goudvink 2, Veenendaal

Roden Girl Choristers o.l.v. Sonja de Vries en m.m.v. Sietze de Vries, orgel

Kerstconcert

Programma 15 december 2018

1.Het programma is nog niet bekend.
2.
3.
4.

Contact:

info@westerkerkmuziekveenendaal.nl

Donaties

Uw donaties zijn van harte welkom op
IBAN: NL27 RABO 0157390217 t.n.v.
Stichting Westerkerkmuziek Veenendaal